Rudy Musters Gedichten

Verhalen



Androgyn

< terug naar overzicht.
Zomers en winters zullen komen en gaan net zolang de zon schijnt. Misschien wel eerder als de mens zijn snikhete machine al het ijs heeft doen smelten, daar de winter verdwenen en opgegaan is in loodzware zomers. De lente zal behaard en oud zijn. De herfst is overleden. De moderne mens zegt, 'ik begin gewoon opnieuw.' Alweer, waar is het leven begonnen en waar houdt het op? Wat zegt de ene mens tegen de ander, wanneer de dijken zijn doorbroken en haard en goed is weggespoeld, 'je begint gewoon opnieuw, naar omstandigheden een ander leven? Leven naar omstandigheden. Hoeveel leven is er al verdwenen en zal verdwijnen, in de bedding van het verleden, waar het steeds verder in weg schuift. Een heel lange rij omstandigheden, zoals ijsbergen door warmte zich prijs geven. Er zal geen sneeuwhut meer gebouwd worden, die de menselijke warmte binnen houdt.

Als het werkelijk in het hart van de mens gaat sneeuwen, zullen de aarde wallen vervagen en de vlakte zal één zijn. Het ijs kraakt al onder hun gewicht. Knallend schieten de scheuren kilometers door het oppervlak. De mens roept, 'weg van hier, wij zijn met te veel.' Iedereen kijkt elkaar aan. Het brekende ijs, zijn de eerste en de laatste jaren van de zoekende jongeling en in verschiet ligt de smeltende berg.

De pool zon stond laag aan de horizon. De jongeling wist dat de zon niet onder zou gaan, maar langs de horizon weer omhoog zou klimmen. Een lange schaduw viel achter hem. Hij keek naar zijn sneeuwhut, die hij bovenop een enorme ijskap had gemaakt. Golven sloegen tegen de ijswand en verzonken bruisend onder de aanrollende golven. In de verte hoorde hij sneeuwhonden huilen. Het sein dat het ijs spoedig zou breken, af zou glijden, meegevoerd zou worden diep de oceaan in. Plotseling klonk een geweldige knal en een gigantisch ijsblok deinde de zee in. Daar dreef de jongen bovenop een ijs rots, met zijn zelf gebouwde sneeuwhut. De zon begon te schijnen en de sneeuw eed het felle licht kaatsen. De honden begonnen weer te huilen.

Langzaam drong hun gehuil tot de jongen door en deed hem uit verdoving ontwaken. Vaak had hij het ijs horen scheuren, maar nog nooit had hij het ijs zo horen knappen, alsof de hele pool zou openbarsten. De jongen begon te lopen en zag de kloof tussen de ijsberg en de vlakte zienderogen verkleinen. Ineens besefte hij dat hij op een dak stond van het grootste vervoermiddel ter wereld. Op miljoenen samen geperste ijskristallen, ongerept en schoon, ontstaan in een ver verleden. Een kille Noordenwind stak de kop op en duwde de ijsmassa voor zich uit. Welke weg zou de ijsberg gaan en in welke omvang zou hij smelten?

Rond de koraalriffen lag een eilandengroep, stil en verlaten. het was ’s morgens vroeg. De warme Zuidenwind waaide over de oceaan naar het Noorden. Zachte handen duwden een rieten vlot in het water. De wind nam het mee. Het meisje op het vlot, keek achterom en zag de eilanden langzaam in het wateroppervlak verdwijnen. Ze bleef kijken. Als een dunne streep lag haar geboortegrond aan de horizon en weldra was ze alleen op de grote oceaan. De wind blies het rieten vlot moeiteloos voort.

Wind draaide wolken in elkaar en blies ze als dotten door de lucht. Haar zuster Warmte sloeg het gade. Regen kreeg geen kans. Warmte en Wind hielden haar in de ban en zij zwierf over wereldzeeën en regende verhalen. Eens per jaar mocht zij komen en Warmte verdween. Zij had een hekel aan haar. Wind speelde verder met haar dotten en joeg Regen verspreid over het land. Warmte was jaloers en steeg omhoog en droogde Regen af. Wind vond het goed en draaide dotten in elkaar. Warmte sloeg het gade en samen hielden ze Regen in de ban. Zij zwierf over wereldzeeën en regende verhalen.

Over het midden van de oceaan waaide Noorden en Zuidenwind tegen elkaar aan en het water viel stil. Warmte steeg omhoog en het begon te nevelen. De jongen stond op een kleine ijsschots, met zijn voeten al in het water. Land zou hij nooit meer halen. Geruisloos schoof het rieten vlot over de ijsschots. De jongen zag het meisje staan. Van ver gekomen, stonden zij nu dicht bij elkaar. Het meisje stak haar hand uit en de jongen stapte op het rieten vlot. De ijsschots verdween. Hij keek haar lachend aan. Samen stonden zij naast elkaar, handen en vingers, spraken de zelfde taal. Meer dan dat. Zij spraken met hun hart, warmer dan de zon die door de nevel scheen. Zij zagen in elkaar geen ander, het licht scheen in hun ogen. Ze hielden van elkaar.
'Hoe heet je, 'vroeg het meisje. 'Ik heet Andro,' antwoordde de jongen. 'En jij?'
'Ik heet Gyn,' antwoordde zij.

Uit zee kwam Androgyn, een dubbelwezen. Zij bezaten grote kracht en konden Goden weerstaan. Dit beviel de oppergod niet en spleet hen in twee en joeg angst in hun hart, voor elementen en het meest voor de mens.
© Rudy Musters
Gemaakt door Xw3b.nl gehost bij Zenid.net.