Rudy Musters Gedichten

Verhalen



Waterval

< terug naar overzicht.
De waterval viel als een streep langs de steile rots, de snelheid waarmee zij viel was sneller dan het oog kon zien. Aan het einde van haar val, bruiste zij levendig op, kolkte in het rond in heftige bewegingen en het opgehoopte water zocht een weg, stuwde stukkengrond, stenen en takken voor zich uit en als rivier nam zij haar loop, stromend naar de zee.

Zij had verschrikkelijke haast en wrong zich in allerlei bochten door het groene land. Sneller en sneller stroomde zij en groef zich langs haar oevers steeds dieper in. Van de rots viel zij gretig, haar bedding vormende. Wat ze niet opzij kon zetten daar stroomde ze omheen, en legde hele stukken grond bloot. Schots en scheef lagen stenen en takken als kale botten. Onder haar oppervlakkige diepte groeide het gras als een stoppelbaard van moeder aarde. Stukken grond werden vermalen door haar dorstige mond.

Onderweg veranderde zij verschillende malen van kleur. Roodbruine aarde kleurde haar haren en haar ogen namen de kleur van bladeren aan of ze waste zich geheel transparant schoon, zodat zij de schaduw van de oevers aannam.
Ovale stenen hingen om haar lichaam en korrels goud spikkelde haar natte huid, toen zij uit het water kwam. In haar bruiste de waterval. Ze stond voor de zee, het zoute water dat haar dorst niet lessen kon, toch stroomde zij elke keer weer naar hem toe en draaide haar zoete glimlach in zijn zoute bestaan. Niemand kende zijn diepte precies, waarin vele bergen schuilen gingen. De ongekende diepte trok haar aan, zijn planten, bergen en dalen, de vis. Haar zoete water stuwde ze zo ver mogelijk over de zeegronden, maar nimmer kon ze boven komen, door het zout werd zij zwaarder en ging geheel in hem verloren. Onderweg in haar bedding veranderde zij vele malen haar gezicht om zo verlokkend mogelijk voor hem te verschijnen en stroomde dan in zijn onbevangen bestaan.

De schenkingen die zij hem gaf nam hij in waardering aan, maar spoedig dreven haar kleuren en schenkingen in zee. Ze hield van de zee, maar wilde hem ook bezitten. Ze was gefascineerd door zijn grenzeloze deining en tijden. De tijd verschillen waren zo groot dat ze nauwelijks de afstand van haar eigen oorsprong tot zijn schoot kon overbruggen, op het moment dat zij van de rots viel, golfde zijn tijd aan het andere eind.

Ze raasde dan zo snel mogelijk door het groene land om bij zonsopgang zijn gezicht te zien, omhangen met gerolde stenen stond zij daar en probeerde het gezicht te lezen, zodat zij zich opnieuw kon storten op de ver uiteen liggende tijden. In hem draaide vele gezichten, onafhankelijk van elkaar en vormde zo zijn wereld, waar alleen de vis vrij kon zwemmen. Het gezicht van het Zuiden keerde zich nooit naar het Noorden. Ze kon niet om hem heen, hij was te groot. Ze wilde en kon niet anders dan over de zeegronden naar het gezicht Zuidoost. Elke keer als ze hem zag, voelde ze het speelse te voelen, vrij te zijn in een groot waterlichaam.

Als rivier begon zij haar grenzen te verleggen, verzamelde stenen en takken, die zij in lengte richting schikte en wachtte op het moment dat ze op haar hoogte kwam. Met volle vaart wierp zij takken over het watervlak en de stenen bolderden over de Gronden. Alles wat zij in haar loop mee had genomen, stortte zij met grote kracht in zee, totdat ze leeg voor hem stond met vlammende haren en lippen zo groen als gras. Haar lichaam kreeg de kleur van zand. De geworpen takken dreven doelloos op zijn watervlak. Ze merkte dat ze hem niet had getroffen. Het water dat zij bruisend voor zich uit had gestuwd, spoelde nu over haar zelf heen. Ze keerde terug en rommelde aan de waterval. Haar natuurlijke loop maakte ze ondergeschikt. Ze pompte zich tot het uiterste vol, en zette zich over de hele lengte schrap plotsklaps raasde ze door haar recht getrokken bedding. Ze was de waterval zelf geworden. Haar haren blauw van de klei. Ze raasde kilometers door, en lag na enige tijd onafhankelijk in het zoute water. Haar beweging werd in de deining op genomen, en stroomde dagen lang. Veel tijd had ze niet meer, ze was bang voor de winter.

Ze sidderde van woede dat ze zou bevriezen. Ze begon te graven en daalde diep in de aarde af, daar verbleef zij een hele poos. Stil zat ze in een donker gat voor zich uit te staren en boven haar kabbelde het zoete water, dat haar het antwoord gaf. Hongerig kwam ze uit de diepte te voorschijn en ging aan de slag. Ze spreidde haar bedding zo wijd mogelijk uit en het gras lag er verdronken bij. Over haar hele lengte en breedte verhief zij zich en zweefde als een gigantische vleermuis over de zee. Zo zou ze blijven hangen, zoals de vrouw van de zee. Ze rekte zich meer en meer, en probeerde de horizon te overspannen. Haar adem werd warm en ze voelde ze zich zwellen, in lucht bellen viel ze uiteen. Het antwoord had haar misleid.

Opnieuw viel zij als een streep van de steile rots, sneller dan het oog kon zien, het was alles of niets. Ze wilde voor eens en altijd verlost worden van het verschil. Het zoute water brak haar telkens op. Rondom haar bedding groef ze grote kuilen en wachtte op het moment dat de zee zijn gezicht erin legde. Als een wervel draaide ze in haar gegraven kuilen, en viel langzaam en tevreden stil. Zo lagen zij beiden veranderd, vermengd wat beiden bezaten. Van de rots voerde ze zoet water aan. Steeds stiller lag zij in haar bedding. Vogels keerden niet meer terug, en wilde bloemen wilden niet meer groeien, de kever trok heen en rolde zijn steen. De grond begon te verzuren, totdat moeder aarde het besefte. Langzaam spreidde zij haar benen en de rivier verdween in haar diepte. De grond schoof toe. Vanaf de berg kan men de zee zien en aan zijn voet van de rots ontsprong een bron naast een wilde bloem, waarop een vlinder rustte.
© Rudy Musters
Gemaakt door Xw3b.nl gehost bij Zenid.net.