Rudy Musters Gedichten

Verhalen

In Nederland liggen stukken grond zo groot als de mens. Sommigen betreden deze gronden vrijwillig en velen doen hun uiterste best ze te vermijden. Als de tijd komt om te gaan, regelt men voor vriend of nabestaanden zijn laatste reis. Niemand ontkomt aan deze plaats.

De begraafplaats.

< terug naar overzicht.
Openbare en gesloten begraafplaatsen. Sommigen worden in stenen muren bijgezet. Een warwinkel van dode plekken. Administratief regelt de mens zijn uitvaart, naar geloof en overtuiging. Thuis bepaalt men op zijn gemak en niet overhaast, de kleur van de steen, dikte en gewicht. De kisten staan in perspectief op papier, van goedkope tot duurzame houtsoorten, wel of niet van binnen gestoffeerd met zijde wanden. Als men tenslotte de juiste keuze heeft gedaan, schrijft men de familieleden, vrienden en kennissen aan, "hierbij deel ik u mede", of koos uit voorgedrukte teksten. Als men het hele pakket inclusief, zangkoor van twintig man en een rondrit neemt, valt men automatisch in de loterij, een bergvakantie met een bezoekje aan de oudste steengroeve. Een telefoontje is voldoende en het uitvaartcentrum regelt, de juiste plaats, tijd steen of kruis. Men kleedt zich speciaal voor deze gelegenheden en van het bedrijf krijgt men twee dagen rouw. Voordat de kist de grond in gaat kan men afscheid nemen, luisteren naar preken van pastoors of dominees.
Op de achtergrond klinkt het koor met orgel. Daarna schuift men langs de dode, staat even stil en loopt weer verder door en wacht. In de gang schudden we de hand en informeren hoe het met elkaar gaat. De ene knikt streng en de ander kijkt naar de uitgang. Buiten bij het graf, staat men voor het laatst eerbiedig, bijna hand in hand en laat een bloem vallen. De ene bloem is de andere niet. Sommigen kunnen nauwelijks een glimlach onderdrukken. Het grind knerpt onder hun voeten tijdens de teruggang.

Zonder van elkaar te weten, wat de ene wist en de ander niet mocht weten schuift men aan het banket. Wie betaalde deze grap? Was het de vader, de moeder, de zoon. Wie zit nu met wie te eten? Wie liet zijn eten staan en schoof zijn bord weg, wie zat vol met verdriet? Eten ligt vlak naast de dood. Waarom een gedenkteken, voor het nageslacht? Waarom zat men aan het banket, de steen werd alsmaar groter.Tijdens het georganiseerde banket waarin de dans is uitgesloten schuift de ene naast de ander voor een hongerig gesprek. Menigeen heeft zijn handen in onschuld gewassen en schenkt zichzelf nog eens in. Wat was de dode voor hem. Kende ze elkaar werkelijk of deden ze maar alsof. Waarom zit de dode niet aan tafel, waar is zijn stoel? Zijn wijzelf al niet een beetje dood, met oprechte deelneming. Waaraan neemt de oprechte deel? Het ergste wat een mens kan overkomen, is het verlies van geliefde, vriend of familielid. Afscheid nemen kan jaren duren. Wie geneest werkelijk die wond?

Het banket is voor de matrozen, de kapitein heft het glas en er wordt gebeden. Daarna steekt men drie gangen zuinig in de mond. De proef op de som kan nooit genomen worden, als de dode zal kunnen verschijnen en door de deur binnen komt, zullen de monden openhangen.

Als er een testament is geschreven en de verdeling is niet evenredig kijkt men zuur. Maar men is gauw getroost. Grootmoedigheid over andermans spullen zal niet voor het eerst voorkomen. Verdeel en heers is er niet helemaal vrij van. Maar als er geen testament is dan spreekt men algauw van, 'ik wil niets hebben,' Waarom niet? Niet een klein beetje. Het word je niet opgedrongen, alleen maar gevraagd. Een aandenken is nooit weg, of wil je geld?
Deelnemen en nee zeggen zijn twee verschillende zaken, alleen we willen het niet altijd begrijpen. Het geld is voor een goed doel. Deelnemen glijdt steeds verder weg. Op papier of televisie, wie kon het iets schelen. Een gift, als het maar niet uit eigen portemonnee kwam.

Al na enige jaren is de gedachte aan de overledene aan het vervagen. Wie herinnert zich nog de ooms en tantes, vrienden en kennissen, neven en nichten? Het enige wat telt is de stoel, op het moment dat je er in gaat zitten heb je pech. Op een kritiek moment, kan je zeggen; ik heb ook van mijn moeder gehouden' en de ander schreeuwt, daar heb ik ook van gehouden. Viel er iets te halen? Uiteindelijk speelt het lied zichzelf teneinde en het valt weer even stil.
Er worden weer kaarten geschreven, kosten bekeken en het banket geregeld. Hoe dubbel zit men aan tafel, als de laatste eer is bewezen, als in het dagelijkse leven de persoon stil is verweten? Tijdens het banket slikt de hap verwerkende zijn bewijs naar binnen. Op bruiloften en partijen schemert al het licht, hoe het op de begrafenis zal gaan als die geliefde persoon er niet meer is.

Mijn begrafenis zal kort en onbelangrijk zijn, geen wegomlegging en rondritten. Straatlantaarns zullen overdag niet branden, want ik wil 's nachts het crematorium in. Geen dominee of pastoor zal zijn preek aflezen van gelinieerd papier. Daarna weggestopt in de binnenzak. Een kuch, een traan. De dode ligt voor eeuwig en het liefst onder en krans, een vlechtwerk van staaldraad, waar een hond doorheen kan springen. Bloemen die de overledene nooit in zijn leven heeft gezien. Een lint met doorgedrukte letters, "rust zacht". Waarom niet, 'vaarwel mijn goede vriend. Ik hield je hand vast'. Als er toch iets te lezen valt.

Waarom, rust zacht, of eindelijk rust gevonden? Wat moet het leven dan wel niet geweest zijn. Het is gemakkelijk over andermans dood te praten en men spreekt snel over het geleefde leven heen en formuleert het eenmalige met al zijn tekortkomingen in, rust zacht.

De gedachte rust zacht, ruist dagen uiteen in smaak en geur. Nooit zijn die woorden over mijn lippen gekomen, toen ik daar stond, zonder bloemen in mijn hand. Onrust nam alleen maar toe. Ik hield van hem of haar als een goede vriend of zoals een familielid, dat niet verder ging, maar als je ontdekt dat het meer is dan houden van, waar sta je dan? Hebben begrafenissen mij iets geleerd, nauwelijks. Ik heb veel verdriet gezien en onechtheid tijdens een dergelijk plechtigheid. Soms schudde ik gemeend de hand en het andere ging ik uit de weg, thuis voelde ik me beroerd van al dat gedoe. Wat weet ik nog van mijn ooms en tantes, neven en nichten en bekenden. Kende ik ze eigenlijk wel? Wat hebben zij mij nagelaten, om te weten wie zij waren en wie was ik, toen ik daar stond? Was ik niet zo onverschillig als de dode tegenover mij? Ik stelde me met de gedachte tevreden dat we allemaal gaan en dat mijn tijd nog kwam. Een simpele gedachte, maar wat ligt er tussenin? Tussen het begin en het einde liggen duizend en één sprookjes, fabels en vaderlijke claims, zo diep kan een graf niet gegraven worden.
© Rudy Musters
Gemaakt door Xw3b.nl gehost bij Zenid.net.