Rudy Musters Gedichten

Verhalen



Bleekjes

< terug naar overzicht.
Meestal sta ik 's morgens tussen acht en halfnegen op, zet dan koffie en geef Snuitje mijn zwart-witte poes visballen die hij smakelijk naar binnen staat te smakken. Als de koffie klaar is, zit hij al voor het raam en kijkt naar buiten, daar zit hij soms de hele dag. Ik rommel wat in het huis, wat er eigenlijk te rommelen valt, weet ik niet, maar ik herhaal zo de dingen die ik enige dagen geleden ook al heb gedaan. Ik neem dan de stofzuiger en ros door het huis, stof het meubilair af, kijk in het rond en zie dat alles er nog precies zo bij staat als ruim 12 jaar geleden. Alleen twee tafels staan anders, die heb ik aan elkaar geschoven, dat is mijn plek waar ik veel zit te schrijven.
Het is me opgevallen dat ik een deel van de kamer niet meer gebruik, waar een oude stoel staat, waar ik veel in zat te lezen. Op de een of andere manier is het me ontnomen om daar te zitten. Trouwens het hele huis komt mij vreemd voor, desondanks dat ik het heel goed ken. Nu zit ik aan die twee tafels. Achter mij zou je een kamerscherm kunnen neerzetten.

Na de koffie neem ik een douche en loop langs de spiegel die ik uit een klerenkast heb gehaald en op de gang heb gehangen. Als ik de trap opkom dan zie ik mijzelf altijd verschijnen. Dat is niet altijd even leuk. Vooral niet als je een wit weggetrokken persoon ziet. 'Je ziet nogal witjes, hoorde ik mijzelf zeggen.' Dat dacht ik tenminste. Ik draaide me om en mijn haren schoten overeind. Ik keek in een wit weggetrokken gezicht en vroeg, 'Hoe lang ben jij er al?’ 'Ik loop al jaren met je mee,' antwoordde hij. 'Alleen je ziet me nu pas. Hoe witter jij eruit ziet, hoe meer kleur ik krijg om te verschijnen, ook al ben ik nog wat bleekjes, maar dat komt dat jij nog niet wit genoeg bent.' 'Met andere woorden, als ik meer kleur krijg, verdwijn jij.
'Precies.' Mijn haren begonnen langzaam naar beneden te zakken. Hij stond me aan te kijken en ik streek mijn haren uit mijn gezicht die inmiddels voor mijn ogen waren gezakt. 'Weet je, zei hij op gemoedelijke toon, 'het is niets bijzonders mij te zien. Ik ben er gewoon en als je goed kijkt, kun je zien dat bijna alle mensen buiten zichzelf treden.' ‘Ja, ik vroeg me al af, wat er al zo buiten zichzelf liep. Van mij kun je blijven staan, maar ik neem een douche.’ Hij bleef niet staan, hij liep gewoon met me mee, de douchecel, de slaapkamer in, de trap af, stond achter me, toen ik voor de tweede keer koffie zette. Stond te kijken toen ik mijn jas aantrok, liep met mij de deur uit en ging achter in de auto zitten.
Hij zat op zijn gemak, wel wat bleekjes maar verder zag hij er goed uit. Ik startte de auto en reed weg. Ik keek in de achteruitkijkspiegel en zag hem zitten. Vreemd dacht ik. Dat zo maar iemand verschijnt en gewoon met je meeloopt. 'Ik weet wat voor boodschappen je gaat doen en ik weet ook dat je het
Boodschappenlijstje bent vergeten. Hij zei het zonder enig plezier, neutraler kon het niet. 'Je schijnt een heleboel van mij af te weten,'zei ik tegen hem om maar iets te zeggen. ‘Ja, ik weet veel meer dan jezelf denkt. Misschien veel meer dan je zelf durft uit te spreken. Ik moest daarover even nadenken. Het was tenslotte een hele mond vol. Ik keek voor mij uit en dacht wat hij zo even allemaal had gezegd. Via
De achteruitspiegel zag ik hem er bleekjes bij zitten. Hij mocht er dan wel bleek bij zitten, maar gek was hij niet. Ik reed de parkeerplaats op, parkeerde de auto, stapte uit en tikte tegen het achter raampje. Bleekjes, zoals ik hem noemde, draaide het raampje open en ik vroeg of hij met me meeging. Hij schudde zijn hoofd en zei, dat het hem te druk was en dat hij zichzelf te veel tegen zou komen tijdens het winkelen. Ja, dat kon ik begrijpen, winkelen is niet altijd even leuk.Tenslotte haalde ik er alleen maar wat ik nodig had. Ik zei tegen Bleekjes, dat ik zo weer terug was en dat hij maar even moest wachten.
Hij knikte en draaide het raampje dicht. Ik zocht naar een karretje en draaide een molen door en stond tussen de artikelen. Wat zou hij eigenlijk bedoelen met mij kom mijzelf tegen? Ik keek goed rond, maar zag niemand die op hem leek. Zo wit waren de mensen nou ook weer niet. Voor mij zag ik een doos staan waar mensen langs liepen, die even bukten en een pak boter eruit haalde en weer verder liepen. Ik bukte ook, want ik had ook boter nodig. Bij de koffie ging het andersom, daar moest ik me uitrekken om er bij te komen. Mijn voorgangers deden precies hetzelfde. Ik bukte hier wat en rekte me daar wat
Uit en zo deed ik mijn boodschappen. Plotseling kreeg ik een ingeving, want ik wilde zien of de mensen die na mij kwamen hetzelfde deden. Ik verborg mij tussen een rij sokken en keek langs maat 52, een maat die ik voor het eerst zag en keek naar de mensen.
Er werd behoorlijk gebukt, gerekt en geleund. In rijen van tien schoven de mensen naar de kassa. Ik er achteraan, want daar viel af te rekenen. De rijen groeiden snel aan. Zo snel dat mensen buiten moesten wachten.

Buiten stond ook een rij maar die stond voor een geldautomaat. Ik stond een beetje in het karretje te staren, want er lag niet veel in, maar dat deed mijn buurman ook, maar die dacht zeker aan de rekening. Ik was bijna aan de beurt toen iemand mij van achter een karretje in mijn hielen reed. Ik bedankte hem vriendelijk. Rekende af en liep terug naar de auto. Bleekjes zat nog achterin de auto, ik tikte op het raam en hief de boodschappentas omhoog en zei, 'zonder het lijstje ging het ook.’ Hij knikte en lachte niet. Ik trouwens ook niet. Wat viel er eigenlijk te lachen?

Ik deed de tas in de achterbak en reed weg. Halverwege naar huis zei Bleekjes, 'Ik wist dat je het boodschappenlijstje zou vergeten. Ik heb er niks over gezegd, daar ben ik niet voor. Daar moet je zelf voor zorgen, maar ik wist ook dat je de boodschappen zou herinneren.'
'Hoezo, het kan toch alleen maar uit je herinnering voortkomen.' 'Ja en nee. De moeilijkheid is dat je niet kan zitten geheugen. Ik dacht even na en zei, Je komt ergens en je herinnert je iets van jaren geleden.
Gewoon toeval.' 'Dat is het niet. Je weet best, dat jij en ik niet in het toeval geloven. Hoogstens kun je spreken van een onberekenbaar gebeuren. Als je dat tegenkomt, leg je het opzij. Misschien kun je er later iets meedoen, of niets.

De Chinezen zochten bijvoorbeeld naar goud en vonden buskruit. Dat was geen toeval. Ze waren gewoon bezig op de weg om buskruit uit te vinden. Het meest tegenovergestelde wat je maar kan bedenken.'
'Je bedoelt,' vroeg ik hem, 'ik ben op weg naar Rome en onderweg sla ik een weg in en ik kom in Turkije uit.' 'Precies. Je komt niet in Rome.' Ik keek stil voor mij uit. 'Het geheugen is een rommelbak van allerlei gegevens, hoorde ik Bleekjes zeggen. 'Eigenaardig, dacht ik, volgens mij weet hij meer dan ik denk.
Ik parkeerde de auto voor de deur, stapte uit, nam de boodschappen uit de kofferbak en ging het huis binnen. Bleekjes er achteraan. Ik zette koffie en vroeg hem of hij ook een kopje wilde. Hij schudde van neen en zei, ik rook en drink niet, slaap en eet niet. Ik zal straks verdwijnen, want ik zie dat je weer wat kleur hebt gekregen. Dat vond ik jammer, want ik wilde hem nog een heleboel vragen. Ik nam koffie en ging zitten. Bleekjes bleef staan. ‘Als je je koffie op hebt dan Kunnen we misschien een stukje lopen. Buitenlucht is goed voor een mens, zei hij. 'Dat is goed, antwoordde ik en trok een andere jas aan. We liepen samen Naar het park, niet zo ver van mijn huis. Het was fris weer. Eerder koud dan fris en ik zette mijn kraag zo hoog mogelijk op. We liepen op een brug waar een eend over waggelde, luid kwakend plofte zij in het water. Ik keek het pak veren na dat op het water dobberde. Over de brug kwamen we in het park. Echt wandel weer, dacht ik. Ik wilde hem net vertellen dat ik hier vaak geweest was. ‘Ja,’ onderbrak hij mijn gedachte, 'dat weet ik. Je bent hier veel naar voetballen wezen kijken, wanneer je zoon moest spelen.' 'Dat weet ik ook, zei ik tegen hem.' 'En ik kan het me herinneren,' antwoordde hij. Ik keek hem even schuin aan en dacht dat hij glimlachte, maar dat kon ook een lichtval geweest zijn, die op zijn gezicht viel.
'Is er een werkelijk verschil tussen herinneren en weten,’ vroeg ik hem om maar ergens mee te beginnen. 'Het kan hemelsbreed zijn.' 'Hoezo?' Ik keek hem aan, goh wat zag hij bleek, ik zag hem nauwelijks meer.
'Er zijn mensen,' zijn stem klonk al iets verder weg dan voorheen, die alle moeite doen om zoveel mogelijk te vergeten. Zij storten zich in allerlei bezigheden. Lopen vergaderingen af, of familieleden. Rennen van hort naar her. Ik begon het koud te krijgen en kroop wat verder in mijn jas. Ik keek even naar Bleekjes, hij ging gewoon verder. 'Als je eenmaal begonnen bent je herinneringen te onderdrukken, dan ontstaat een schijnhouding. Je wilt het gewoon niet meer weten. Je gaat gesprekken uit de weg die je aan iets kunnen herinneren. Met alle macht probeer je iets daarvoor in de plaats te zetten. Mooie en niet mooie herinneringen zitten aan elkaar vast. Ze maken nu eenmaal deel uit van een periode, die je beleefd en geleefd hebt. Het wegdrukken van nare herinneringen is het wegdrukken van een deel van je leven. Het lijkt op
een uit elkaar gevallen kast die jezelf weer in elkaar gezet hebt. De onaangename dingen komen onderin en de leuke bovenop. De goudstukken liggen boven, maar onderin ligt buskruit. Het goud is zo dood als een pier. Alles wat onderin zit, leeft en zoekt naar een uitweg. Hoe groter de druk, des te explosiever de onderliggende lading.Trouwens het onaangename is niet perdifinitie onaangenaam, zij is onderhevig aan groei. Het kan veranderen in goud en goud in buskruit'

'Een wandelende tijdbom,' wierp ik er even tussen, kroop nog wat verder in mijn jas. 'Precies. Kijk maar om je heen. Er zijn enorme wachtlijsten en medicijnen die worden geslikt, om het buskruit nat te houden.'
‘Anders ploffen de mensen uit elkaar,’ zei ik met stembanden die van de kou raar begonnen te trillen.

Ik wilde voorstellen om naar huis terug te keren, want ik had het Berends koud, maar dat wilde ik ook niet. Dus ik bleef verder door wandelen. Ik zal wel zien hoe ik thuis kwam. Tenslotte kwam het niet veel voor te wandelen met iemand die je dingen vertelde die je al wist, maar leuk waren om nog eens te horen. Ik keek even naar hem op, om te zien hoe hij er uit zag. Goh, wat zag die man wit. Nog even en ik zou moeten vragen, of hij er nog wel was. We liepen verder en ik was zo ver in mijn jas weggekropen, dat mijn jas bijna helemaal alleen liep. ‘Je hebt het behoorlijk koud,' hoorde ik hem nog net zeggen.
‘Neen, antwoordde ik, een frisse wandeling doet een mens goed.’ Ik vroeg me af, wat je dan moet doen als je je kwade herinnering niet wil onderdrukken?
'Je zou jezelf een taak kunnen stellen, onprettige herinneringen te adopteren, zodat ze niet onderling om voorrang strijden.’ Goed luisteren wat zij te vertellen hebben. Het komt ook vaak voor dat je pas achteraf ervaart dat iets onprettig was.
Verkeerd gezien, of verkeerd beoordeeld, vooral als je blijft zwijgen dan houd je het onprettige instant.'
‘Ja, antwoordde ik, dat komt me bekend voor. Naar mijn mening is niet alles goud dat verzwegen wordt. Je vraagt je weleens af, of het wel iets waard is. Waarom zou je een stuk goud in je mond stoppen, het lijkt me moeilijk praten. Wie betaalt de veerman? In ieder geval niet de dode, die steekt zwijgend over.
Maar hoe zit het met de levenden die zwijgend oversteken? Geen goud, geen oversteek. Het heeft veel weg van taboes die tussen de tanden zitten. Het lijkt me bijzonder onprettig het zwijgende gewicht in goud mee te dragen.’ Ik kuchte even, want ik kreeg vaag het gevoel dat ik liep te raaskallen en probeerde de draad van mijn betoog weer op te nemen en stelde mijzelf de vraag; wie betaald de veerman? In mijn gedachte zag ik een lucratieve baan. Een man die regelmatig goud klompjes uit de mond van zwijgende overstekers haalde.
Volgens mij moest die man ongelooflijk rijk zijn. Het enige wat hij deed was heen en weer varen. Goud uit de mond pakken en vervolgens hen door sturen door de poort van het zwijgende recht. Zwijgen en goud, wie betaalt? Ik keek Bleekjes aan en verwachtte antwoord. Hij liep zwijgend naast me. Misschien heeft hij me niet verstaan, dacht ik.
Voor mij zag ik een vogel die een worm uit de grond stond te trekken. Die worm wilde helemaal niet meegeven en hield zich zo goed mogelijk aan de grond vast. Ineens flopte de worm los en de vogel hapte hem naar binnen, veegde zijn snavel even over de grond en vloog weg. 'Zag je die vogel die bezig was een worm uit de grond te trekken,'hoorde ik Bleekjes zeggen. Je zag het gebeuren, maar je hoorde niets. Zo is het met het zwijgen ook, er wordt gewoon doorgepraat, alleen je hoort het niet. Er zijn
mensen die praten de hele dag aaneen stuk door, zonder een woord te zeggen. De worm zou ongetwijfeld geroepen hebben, 'ik wil niet. Ik wil hier blijven in de grond waar ik hoor.’ De vogel riep daarin tegen, 'ik wil jou hebben, want ik heb honger en vreet je op. Wat zouden die twee anders met elkaar gesproken hebben? Het enige verschil tussen die twee is dat de vogel de worm herkent en
de worm herkent de vogel niet. In het zwijgen huist zowel de worm als de vogel.
Het is gemakkelijker goud tussen de tanden te nemen dan de worm boven de grond te laten kruipen. Het gevolg laat zich aanzien.
Ik was zo ver weg gekropen dat ik in mijn gedachte mijn jas en Bleekjes samen zag wandelen. Voor de zekerheid keek ik maar even achterom. Het begon te motregenen. Ook dat nog, nu begint het nog te motten' en ik zag in gedachte vliegende motten’ die door vogels zwijgend uit de lucht werden weggesnaveld. Het gebeurde allemaal woordeloos en toch gebeurde het gewoon. 'Het zwijgen voedt zichzelf,' hoorde ik Bleekjes zeggen. Het komt niet voort uit plicht, veelal is het de prijs, die men zichzelf toekent. Het schept eigenwaarde en is niet altijd ontbloot aan plezier. Het spel dat men speelt, ligt aan de grondregels, wat men zich wil herinneren.'
‘Ja,’ antwoordde ik, 'dat zou best kunnen, maar in hoeverre blijft een spel een spel.' 'Het spel blijft een spel, als beide partijen zich aan de regels houden, maar als iemand de regels overtreedt, of niet meer wenst mee te spelen en zich in zwijgen hult, wordt er niet verder gespeeld. De stukken die het zwijgen
uitdrukken zijn de stukken van het niet gespeelde spel.
Je kunt je zelfs afvragen, of het gespeelde spel ooit wel de moeite waard is geweest en achteraf denk je, had ik dit spelletje maar nooit gespeeld.' 'En het zwijgen dan, vroeg ik zo licht mogelijk. 'Zwijgen om niets heeft geen zin. Je zwijgt om dat je het stuk niet kan neerleggen. Het probleem is niet dat het
bord te klein is, waarom zou je zwijgen als je met iets komt te zitten wat je niet bevalt?
'Naar mijn mening kun je er beter over praten om meer ruimte in het spel te creëren, als ik het goed begrijp.' ‘Ja, zeker, antwoordde Bleekjes. Een goed spel wordt altijd zo gespeeld, aan beide ligt het essentiële dat onomkeerbaar is. Het is de zet waar het neer wordt gezet. Als je verkeerde zetten doet, zet je ze ook op de verkeerde plaats.
Zwijgen is in principe een zetstuk, waarvan de plaats nog niet bepaald is. Het zweeft zogezegd boven het bord, hoe langer je er mee wacht hoe moeilijker het wordt. Als het spelen in zwijgen om slaat, zwijgt men niet over de ander maar over zichzelf.
De worm weet niets van de vogel, maar de vogel kent de worm. Het beste is dat de worm onder de grond blijft. Eens zal hij boven de grond komen en de vogel pikt hem op en het spel is uit. Leven is niet altijd een spel.' 'Ja, dat is waar en het spel is niet altijd leven,' antwoordde ik bleekjes. We liepen stilzwijgend verder. Opeens zei Bleekjes, 'Ik zie dat je wat kleur hebt gekregen. 'Ja, mompelde ik, 'zo gaat dat. De Eén verdwijnt en de ander verschijnt en er komt een moment dat jezelf verdwijnt. Bleekjes zei niets. Hoewel hij mijn gedachte geweten zou kunnen hebben. We liepen verder zonder een woord te zeggen. Ik hoorde de wind door de bomen ruisen en zag een blad van de boom vallen. De herfst was in aantocht. Ik keerde me om en zag dat ik alleen was. Wat zei Bleekjes ook alweer, 'ik zie dat je wat kleur hebt gekregen.’ Ik voelde met mijn hand over mijn gezicht, het voelde koud aan. Onderweg naar huis dacht ik aan Bleekjes en vroeg me af waar hij eigenlijk vandaan kwam. Toen ik thuis was en naar boven ging en langs de spiegel liep, bleef ik een ogenblik staan. Inderdaad Bleekjes had gelijk, ik zag blauw van de kou.
© Rudy Musters
Gemaakt door Xw3b.nl gehost bij Zenid.net.