Rudy Musters Gedichten

Verhalen



Katholon

< terug naar overzicht.
Velen zijn vergeten, maar dan ook werkelijk vergeten en velen doen hun uiterste best om niet te worden vergeten. Juist hen die je zo graag zou willen vergeten, verschijnen in gelaatstrekken van personen, die je niet eens kent. Werkelijk vergeten is veranderen. Vergeten en veranderen, zonder te weten, neem je de plaats in van een ander. Een vergeten plek is een stille plek en de rivieren stromen naar het land waar je gevangen zit.

De rivier stroomde vanaf het Noorden naar Mazda ten Westen van het land Katholon en slingerde in vele bochten en vloeide halverwege in Kweb. Alles wat door Kweb ging, werd gewogen en weer losgelaten en de rivier stroomde verder, naar de bron waar zij ontsprong. Het drinken van de bron, was het einddoel van de mens en deed alle herinneringen aan aarde vergeten. Katholon was jaloers op Kweb. Ze haatte haar intens. Kweb liet de mens vrij in zijn geweten. Vrij in de keus, welk land hij verkoos. Soms daalde Katholon in Kweb af en vleide zich tegen haar aan. Kweb was daarvoor niet ongevoelig en vleide terug. Katholon dacht dan, dat ze een stapje verder in het geweten van Kweb was gekomen, maar verstrikte zich elke keer weer in de bewegende stengels en bladeren. Ze maakte zich dan weer los en trok zich terug op het droge. Ze zou zich nooit kunnen geven. Kweb was haar geweten.

Op het land had Katholon een tempel opgericht, voor diegene die halverwege in het leven stonden. Er waren ontelbare rivieren die naar Kweb stroomden en Katholon kende er maar één, die langs haar eigen landgrens ging. Zij stond dan aan de oever, met haar staf. Als er iemand langs kwam, smeekte ze in alle toonaarden om de tempel met haar te delen. Half snikkend liep ze langs de oever, de staf reikend. Haar lichaam schudde onder het lopen. Ze vloekte in zichzelf, omdat ze geen normaal skelet had aangenomen, toen ze uit Kweb was gekropen. Dagen lang had ze in de zon gelegen om haar huid te drogen.

Haar skelet was niet geschikt om er sierlijk mee te lopen. Ze had de kracht en de macht niet meer om haar uiterlijk te veranderen. Dat wat van binnen moest zitten zat nu van buiten. Haar innerlijk kon ze veranderen. Ze deed alles met haar stem. Ze snelde voort. In de verte had ze een stip gezien. Onder het lopen wapperde haar gewaad, en voelde haar skelet over haar weke lichaam trillen. Op de rand van de oever nam ze een goede houding aan en schikte haar gewaad. Leunend op haar staf, lichtelijk voorover gebogen en zei, 'kom tot mij, lieve vrouw. Ga niet verder. Kweb is de diepte zelf. Allen die daar inkomen keren niet terug. Kom tot mij en zie, wat ik je te bieden heb.' Ze stak de staf uit, haakte de vrouw naar zich toe en trok haar op het droge. Ze hield haar als een kind vast. 'Oh, wat ben ik blij,' zei ze, 'dat je bij me bent.' Katholon zat op de grond met haar benen wijd en had de vrouw met haar rug tegen haar borsten getrokken. Ze sloeg haar armen om haar heen. 'Zacht,' zei ze, 'je moet niet naar Kweb gaan. Daar kom je nooit meer uit. Blijf bij mij. Ik zal je alles geven, wat je hart begeerd. Sieraden. kabouters om mee te spelen. Alles, wat je maar wilt:' De vrouw sloeg haar ogen op en vroeg, ‘alles’? 'Ja,' antwoordde Katholon, 'alles! Je mag op mijn land wonen en in mijn tempel gebeden houden, als je dat wilt. De vrouw keek over de rivier die langzaam verder stroomde. 'Wie ben jij en waarom ben je zo aardig tegen mij? ‘ 'Ik ben Katholon. Kom. Ik zal je naar mijn tempel brengen.'

Een oude vrouw verliet het land Katholonië ze had er jaren rond gezworven, geleefd en gewoond. Nergens kon ze in dat land aarden. In de tempel voelde zij zich niet thuis. De Katholenen waren van een geheel andere orde. Haar smart, die ze jaren met zich had meegedragen, werd niet gehoord. De Katholeense tempel was de tempel van de biecht. Zij zocht diep in zichzelf de weg die zij wilde volgen. In katholonië vervreemde zij meer en meer. In haar hart wees ze de biecht af. Eén lange voettocht wilde ze nog gaan. Een lange, moeilijke weg. Ze had de moed en de kracht niet meer om langer te blijven. Ze verzamelde alle kracht die ze op haar leeftijd kon opbrengen en vertrok.


Ze zou dan vrij zijn, de rivier verder te volgen, naar zijn bron waar hij ontsprong. Naar Mazda of een ander land, waar zij in geloofde. Kweb kende noch haat, noch liefde. Zij was loutering. In haar loste alle smarten en pijnen op. Zij voedde zich er mee. Daaruit groeide ongekende waterplanten, met prachtige bloemen, drijvend op het water. Hun wortels los in het lauwe water, in Kwebs ongekende diepte. Nog eenmaal draaide de oude vrouw zich om. Haar blik dwaalde over het land Katholonië. Een grote vlakte, in de verte zag ze de tempel staan. Ze dacht aan haar zoon, die vroeg uit haar land was vertrokken en nu in Katholonië woonde en leefde en rond de tempel sliep. Ze dacht aan haar dochter, die veel daar kwam. De tempel had iets van haar. Ze draaide zich om en zag het glooiende landschap naar het westen liggen. Lage struiken en bomen stonden in bloei. Elk jaar hernieuwde het bos zich, Geen spoor of weg was te zien. Sporen werden gewist door het levende bos. De vrouw ging op weg. In gedachte liep ze voort. Ze zag haar spelende zoon, een tijd, die als de wind was voorbij gevlogen. Hadden ze al van haar afscheid genomen. Had ze werkelijk voor hen bestaan? Ze kon het zich niet herinneren. Ze liep voort en merkte niet eens dat de takken van de bomen en bloemen niet meer uiteen weken, ze had het bos verlaten. Ze keek op en stond met een schok stil. Een vrouw van water stond voor haar. Helder en duidelijk. Zonlicht scheen door haar heen.

Vrees niet, lieve vrouw. Ik heb op je gewacht.’ Ze bewoog haar armen als een teken. Een zachte bries nevelde haar uiteen. Het was er stil. Geen enkel geluid drong tot de oude vrouw door. Ze voelde haar hart kloppen. Kweb was voor haar verschenen. Voel en zichtbaar, maar ongrijpbaar. In haar hoofd hoorde ze zeggen, 'vrees niet.' Ze kleedde zich uit en legde alles af. Haar kleren legde ze gevouwen op elkaar. Het mos voelde zacht onder haar voeten aan. haar blik dwaalde over de ontelbare waterplanten. In haar leven had ze nooit zoveel waterplanten bij elkaar gezien, het lag als een groen kleed voor haar voeten. De bloemen lagen half gesloten. Langzaam liep ze het water in. Het voelde behaaglijk aan. Ze stapte op de bladeren. Een ogenblik dacht ze, dat ze weg zou zinken in de ongekende diepte van Kweb. De bladeren droegen haar gewicht, langzaam liep zij verder. Het water spoelde over haar voeten. Voor het eerst in haar leven voelde ze dat ze werkelijk liep. De gedachte aan de lange weg die ze had afgelegd, begon te vervagen en maakte vrij voor een gevoel dat ze eens in haar leven had gekend. Een zacht vredig gevoel. De bladeren zakten verder onder het lopen naar beneden, maar bleven haar gewicht dragen. De bloemen op hun lange stengels vouwden hun harten open. 'Vrees niet,' hoorde ze zeggen.' Ze daalde dieper en dieper. Over haar hele lichaam voelde zij de bladeren langs haar strijken. Ze betastte haar met hun fijne haartjes. Smart en pijnen vloeiden uit haar lichaam. Zij gaven het door aan de bloem. De vrouw voelde zich vrij en één met het water. 'Waar ben ik, vroeg ze.’ 'Je bent in jezelf. Je bent wie je bent. Geen mens kan daaraan komen,' hoorde ze zeggen. De vrouw dacht na. Ze vroeg, 'wie is Katholon?' De bladeren omarmden haar en duwde haar naar boven. Haar hoofd doorbrak het wateroppervlak en bloemen keken haar aan. Boven de bloemen hing een nevel en ze hoorde zeggen, 'Zij kon smarten en pijn niet meer aan. En heeft zich op het land te droge gelegd. Nu staat zij aan de oever haar leven te vullen. Katholon is noch goed noch slecht. Kweb was Katholon en Katholon was Kweb. De vrouw stond een lange tijd stil, alles scheen te wachten. Voor haar lag het groene kleed en zij hoorde het lied van de bloem. 'Kinderen herinneren zich de bloem, waar de rivier is geboren,
keert de bloem naar de bron.' Het begon te regenen en de bloem sloot zich langzaam. Aan de oever stond Katholon. Ze schikte haar gewaad en in haar hand hield ze haar staf. In de verte verscheen een stip. Het was een jongeling. Hij kwam snel dichterbij. Katholon boog zich voorover en riep, 'ga niet naar Kweb. Kom bij mij en zie, wat ik je te bieden heb. Alles wat je maar wilt.’ De jongen lachte vrolijk en antwoordde, 'een mens die eens gevallen is, behoudt zijn recht, om naar Kweb en vrij naar Mazda te gaan, zoals zijn rivier verloopt. Maar zie, wat ik voor jou heb. Zie hier. Het is een Gouden peer.' Hij gooide de gouden peer naar haar toe. Katholon ving de Gouden peer.
Hij woog zwaar.
© Rudy Musters
Gemaakt door Xw3b.nl gehost bij Zenid.net.