Rudy Musters Gedichten

Verhalen



Kind van de sneeuw

< terug naar overzicht.
Het leven draait langzaam met de aarde mee, onder het felle licht van de zon. Landen en zeeën schuiven van de lichtende horizon naar halfduister, tot diep in de nacht. In het opkomende licht van de maan verschijnt het schelpenpad dat als een band oneindig over land en zeeën golft en in de horizon van het licht als nevel verdwijnt. Onafhankelijk van het felle licht ver weg van het pad, echode de dag en verstilt langzaam.

Wat eens in mijn jaren heeft gelegen, is verstild, ongrijpbaar, zoals het gevallen blad. Zo zal mijn leven gaan, in het blad is te lezen dat het pad van herinnering zal ophouden te bestaan. Wat verteld de ene mens tegen de ander, ik zal je herinneren zoals je was? Het vluchtige beeld door mijzelf belicht.

Ik loop langs de grens van de schemer. Voor mij zie ik een waterbrug liggen, licht gebogen. De rivier stroomt er dwars onder. Langzaam loop ik naar het stromende water, een ogenblik sta ik stil en loop over de waterbrug. Het is er niet diep. Het water stroomt langs mijn enkels en ik voel vaste grond onder mijn voeten. Midden op de brug sta ik een ogenblik stil en kijk de rivier langs en zie, niet ver van mij af een tweede laag water als een opgerold tapijt op mij afkomen. Gehaast maak ik mij uit de voeten en voel de brug lichtelijk kraken. Onder de brug lag het diepe zwarte water.

Ik stond op een aardewal, waar gele rozen over de hele lengte groeiden. Ik begon te lopen en achter mij hoorde ik het bruisende water. De aardewal was smal. De rozen hingen licht gebogen in de richting waarheen ik liep. De grond onder mijn voeten werd vaster en harder, ik zag mos tussen de richels van de rode, blauwe en grijze stenen, oude stenen bijna geheel bedekt door het groene mos. Aan het eind van het pad, leidde een brede trap omlaag. De treden waren uitgesleten, door vele voetstappen. Beneden aan de trap stond een gebouw als een glazenwand met grote open poorten. Boven mij zag ik hoog op de aardewal de hangende rozen. Ik zong, zonder woorden. Luider en luider werd mijn stem en de wind droeg het mee. Plotseling hoorde ik een andere stem die met mij meezong. Ik hield op met zingen en luisterde. Het was de stem van een kind. Het lied klonk vrolijk, ver weg en toch zo dichtbij.

Ik keek rond en zag in een groot wit vlak een kind staan. Hij stond daar als in een schilderij, alsof hij er elk moment eruit kon stappen. Ik liep naar hem toe, na enkele meters bleef ik staan en keek naar hem. Hij had een lachend gezicht, zijn ogen straalden blijmoedigheid. Naakt stond hij in een landschap, waar struiken stonden met gitzwarte takken zover mijn oog reikte kon ik sneeuw zien liggen van duizenden jaren oud. Ongerept. Alleen doorbroken door een spoor van zijn voetstappen. Duidelijk en helder lag het spoor van het kind, de miljoenen sneeuwkristallen lagen in één richting geschikt.

Aan de horizon verscheen een donker schip. Het kind was zich niet bewust van de wereld die op hem afkwam. Hij draaide zich om en wuifde naar het schip. Het spoor en het kind verdwenen tussen de voort schuivende schotsen. Op de vlakte staan nu huizen van beton. Koud en kil. Duizenden jaren oude sneeuw was verdwenen. Alleen de mens die de vlakte heeft gezien, waar eens het kind heeft gelopen herinnert zich waar de struiken stonden, waarvan de bladeren nog moesten ontluiken. Het schip was niet te stoppen en als stille getuige verschenen op non-conformistische wijze ontloken takken, op het witte vlak. Misschien zal het ooit nog eens gaan sneeuwen en het kind van de sneeuw verschijnen en zijn spoor te volgen zijn. Opnieuw zal de mens vertwijfeld staan en het kind laten gaan.

In de huizen hangen nu bewijzen van goed gedrag zij lenen hun oor, aan het bericht van de schipper, hoe de wind waait. Het conformistisch schip met zijn beneden, tussen en bovendek, verdeeld in kajuiten, doet geen enkele haven aan, maar vaart dwars door het prille bestaan. Als het eenmaal aan de horizon is verschenen zullen de mensen gelijk aan sneeuwvlokken zijn, gerangschikt, zoals de schipper het wil. Zelfs bevroren water kraakt onder zijn gewicht. De menselijke kachel is snikheet en niet iedereen kan die hitte verdragen. De schipper gedraagt zich als meester en wordt bediend. Zijn moraal is de brandstof voor zijn schip. Geen enkel middel zal hij schuwen, de ander te laten geloven in zijn conformistisch bestaan.

Het kind van de sneeuw was niet te paaien met telefoon, chocolade en aanzicht kaarten. Wreedheid schuilt niet in geboorte, maar in het gebed. De wens, de verwachting en de hoop, zij hamert elke dag op andermans aanbeeld en smeedt in herhaling zijn eigen taal. Schippers drijven niet op dubbelmoraal, het wisselt onderhuids van twee, vier, tot groepsverband werkend aan het evenbeeld, zonder te weten, hoe hij zichzelf ziet. Het antwoord is al duizenden jaren oud, gelijk aan de sneeuw. De mens die eens zijn sporen trekt telt voor twee.

Lang staarde ik naar het witte vlak en zag aan de horizon een stip verschijnen, bevreesd wachtte ik af. Mijn hart brak, toen ik zag wat het was. Het was het kind van de sneeuw, zijn ogen straalden blijmoedigheid. In zijn handen hield het ontloken takken.
© Rudy Musters
Gemaakt door Xw3b.nl gehost bij Zenid.net.