Rudy Musters Gedichten

Verhalen



Vogels

< terug naar overzicht.
Je zou eens het kanovaren op stille wateren moeten verlaten, ook al hebben zij diepe gronden. Elke steen die geworpen wordt wekt beroering en zinkt door eigen gewicht, waar hij niet welkom is. Rechtop staand kijk je om je heen, maar niemand die er is, dan jij alleen. Varen op stille wateren, is varen waar stenen zijn gezonken.

In de gang stond ik mijn handen aan een doek schoon te vegen, van twee grote beelden had ik de koppen gesminckt. De beelden stonden links van mij, achter een glazendeur. Naast die beelden stond een suppoost, hij staarde me aan en ik staarde terug. Ik vond dat ik goede koppen had gemaakt. Speels, lachend keken ze de wereld in. Ik wilde net de handdoek opvouwen, toen twee mannen, gekleed in lange jassen met hoeden op, langs mij liepen. Ze gingen de glazendeur door en spraken de suppoost aan. Hij knikte onder het praten een paar keer en keek mijn richting uit. De beide mannen volgden zijn blik. De duimdikke glazendeuren stonden op een kier en ik hoorde de suppoost zeggen, 'ik zal even de deur sluiten.’ De deuren klikten dicht. Door het glas zag ik hun bewegende monden, hun gezichten waren half verscholen onder de diep liggende hoeden. De suppoost stond erbij als een standbeeld, net zo bewegingsloos als die beelden, die ik gesminckt had. Alleen had hij een andere kop.

Ik zag dat de beide mannen verder het gebouw in liepen en de suppoost begon de beelden weg te rollen. Met beide handen probeerde ik de deur open te duwen, maar die zat op slot. Ik tikte tegen het glas maar de suppoost reageerde niet. Ik rende de straat op, schatte het midden van het gebouw en klom via de veranda's naar boven. Op de bovenste verdieping stond ik een ogenblik stil. Ik keek voor mij uit en zag in de verte geelblauw licht verschijnen en vergeleek het met het gebouw dat half in de schaduw lag, toen ik naast mij geluiden hoorde. De verdieping stond ineens vol met mensen die uit het gebouw waren gekomen, ze keken stil voor zich uit naar het geel blauw licht. Ik keek naar ze en probeerde ze aardig te vinden, maar dat lukte niet. Ik voelde helemaal Niets voor ze. Ze hadden allemaal de zelfde houding.

Ik keek naar het licht dat langs de horizon zich begon uit te spreiden. Ik wilde blijven kijken, toen ik me herinnerde dat ik nog naar het dak moest klimmen, om in de zaal te komen, uit het licht maakte een stip zich los, die snel groter Werd. Gefascineerd keek ik toe. De stip werd een schijf, de schijf werd een bol, doorspekt met gevlekte kleuren, ik zag duizenden opeengepakte vogels. Honderden schoten tegelijk uit het midden en doken weer terug in de grote vogel massa. De vogels stjilpten luid. Niets kon ze tegen houden, hun vaart werd niet gebroken, maar zette zich aan tot ongekende snelheid ze joegen door de bomen, die langs het gebouw stonden.Takken bogen als rietjes en scheurde als papier van de stammen. Ze sloegen met een enorme klap tussen de verstarde mensen op de veranda en veegde het honderden meters schoon. Lage tonen klonken op en de vogels vlogen de lokkende roep tegemoet en weldra waren ze kleiner dan een stip. Spoedig was alles weer stil als Voorheen. De veranda, waar ik stond, was leeg. Ik keek naar de horizon, het licht was verdwenen. Ik keek naar het dak en voelde me gesterkt door de geweldige klap die de vogels hadden uitgedeeld en begon naar het dak te klimmen.

De muur waar langs ik naar boven klauterde, bestond uit ruw gehakte stenen, die onderling over elkaar staken, zodat ik met mijn voeten enige steun had. Vanaf de waranda naar het dak was een paar keer mijn lichaamslengte. Bij elke steen, die ik beklom nam mijn lichaamsgewicht toe. Loodzwaar bereikte ik de dakrand en trok me op het platte dak, Op handen en voeten kroop ik verder van de rand. Ging op mijn rug liggen om uit te rusten en staarde naar de wolken die voorbij trokken als een hobbelig landschap.

Ik stond op en keek rond. Het dak stond vol met luchtkokers. Op het midden van het dak zag ik een grote donkere koepel. Ik liep er heen en zag dat het donkere glasplaten waren. Ik kon er niet doorheen kijken, maar misschien zagen ze mij van binnenuit wel staan. Ik maakte dat ik van de koepel vandaan kwam en begon naar een opening te zoeken. Misschien was er ergens wel een deur. Op het hele dak vond ik geen enkele deur of iets wat daarop leek. Ik klauterde op een luchtkoker, keek naar binnen en zag op armlengte een beugel zitten en nog één daaronder. Behoedzaam liet ik me zakken en zocht met mijn voeten de beugels. Langzaam daalde ik af. Het was aardedonker.

Na enkele meters voelde ik grond onder mijn voeten, met mijn handen hield ik een beugel vast en keerde me om, zodat ik met mijn rug tegen de kokerwand stond, strekte voorzichtig mijn armen zijwaarts, voelde niets en draaide vervolgens mijn armen naar voren. Halverwege stootte ik met mijn handen tegen een muur. Ik begreep dat ik niet meer in de luchtkoker stond, maar in een smalle gang. Ik stond een moment besluiteloos. Ik kon naar links, als naar rechts. Liet mij door mijn knieën zakken en kroop op handen en voeten links de donkere gang in. Na enige meters zag ik voor mij een lichtvlek. Ik wilde gaan staan en er naar toe lopen, maar durfde niet. Ik was bang dat ik ergens in zou vallen. Kruipend ging ik verder. Het duurde enige tijd voordat ik begreep dat het licht was, dat schuin als een brede witte balk door een nis in de gang naar binnen viel. Voor de nis hield ik me in het donker schuil en luisterde maar hoorde geen enkel geluid. Voorzichtig stak ik mijn hoofd langs de rand en keek door de nis en zag een enorme zaal, waarvan de muren van gekleurd marmer waren. Grote beelden stonden langs de wanden. In het midden van de zaal zag ik de koepel waardoor ik naar buiten kon kijken en zag wolken als een hobbelig landschap langs drijven. Mijn blik dwaalde naar een beeld dat naast een tafel stond. Verder was de zaal leeg. Midden op tafel lag het gezicht dat ik aan één van die beelden had gegeven. Het was er in zijn geheel afgehaald. Het schokte me, een gezicht op tafel te zien liggen. Ik wilde er naar toe, maar besefte dat ik hoog onder de koepel zat en door een nis naar beneden keek. Ik wilde net weggaan, om Uit te zoeken hoe ik beneden kwam, toen een gedaante verscheen, in een lange jas met een kap over zijn hoofd geslagen. Ik keek gespannen toe en hield mij stevig aan de randen vast en leunde zo ver mogelijk voorover. Langzaam tilde hij zijn armen omhoog en schoof de kap van zijn hoofd, ik keek regelrecht in een uitdrukkingsloos gezicht, een gezicht als een masker. Net zo'n gezicht als het beeld dat naast hem stond.

Hij boog zich voorover en pakte met beide handen het gezicht van de tafel en zette het op zijn gelaat. Het gezicht en het gelaat smolten ineen. Ik viel bijna uit de nis van verbijstering. Hij liep naar het midden van de zaal en stond onder de koepel stil en hief zijn armen omhoog. Er was grote afstand tussen hem en mij, anders zou ik het gezicht van zijn hoofd afrukken, maar ik kon er niet bij. Hij stond nog steeds met zijn armen omhoog en scheen in trance te zijn. Door de koepel viel ineens meer licht en ik zag tot mijn verbazing dat het gezicht doorgelopen was, op sommige plekken was het al geheel verdwenen, het gezicht viel langzaam uiteen. Het licht door de koepel werd feller, de zaal baadde in helder licht. Met een enorme klap barstte de koepel uiteen. De glasplaten vlogen in duizend stukken. Een grote gekleurde vogelbol raasde langs de marmeren wanden en beelden. Luid stjilpten de vogels. De bol raasde verder het gebouw door. Even later hoorde ik een geweldige knal. Het was de glazendeur die verbrijzeld werd. Het stjilpen werd minder en weldra was het niet meer te horen. Er hing een doodse stilte. Beneden, op de grond, lag de man, op zijn gezicht. Een gezicht dat eens heeft kunnen lachen, was verstild in het onontplooibare, begrensd door eigen herhaling. Het was pijnlijk te zien dat spontaniteit wordt vervangen door het gezicht van een ander. Ik trok mij uit de nis terug en liep de gang door. Na tientallen meters botste ik tegen een muur. Met beide handen betastte ik de ruwe wand, vond een deur en deed hem open. Gedempt licht viel Over een trap. Snel liep ik naar beneden en kwam in de gang uit, waar de Glazendeur had gezeten. Ik zocht mijn handdoek op en legde hem in de kist en liep het gebouw uit.
© Rudy Musters
Gemaakt door Xw3b.nl gehost bij Zenid.net.