Rudy Musters Gedichten

Verhalen



De wachter.

< terug naar overzicht.
Mijn dag was voorbij. Was het wel een dag? Bestaan ze eigenlijk wel? Is het niet een lange weg, waarop je van tijd tot tijd even uitrust? Even gaat liggen om daarna weer verder te gaan. Zonder te weten, wie je op weg gestuurd heeft? Lopen zonder doel en opdracht. Aan het eind van de weg kun je zeggen, 'ik heb wat bereikt.’ Mijn dag bestond uit een wandeling en ik voelde me net zo verzwaard, als diegenen die goederen met zich meezeulen. Alleen de dag al was zwaarder dan een pakpaard, zodat ik me makkelijk liet verdwalen in de slaap die ik op mij af zag komen. Gelukkig was het geen zware slaap, zo een dat als je wakker wordt, het gevoel hebt in een loden kist gelegen te hebben. Deze was precies goed, niet te zwaar of te licht. Ik stapte volkomen ontspannen mijn slaap binnen. Ik voelde me prettig en op mijn gemak en begon wat rond te wandelen. Ik was heel benieuwd wat ik te zien zou krijgen en zette flink de pas er in. Toen ik ineens in een dikke mist liep. Ik keek om mij heen, maar zag niets. Verder lopen had geen zin, want ik wist toch niet welke kant ik op moest.

Ineens zag ik in de verte een rond lichtje dat snel groter werd. Het ronde licht werd een vierkant en ik zag dat het een lantaarn was, die een oude man in zijn hand hield. Het licht viel half over zijn gezicht. Hij zag er verschrikkelijk oud uit. Niet zo oud zoals ik mensen kende, maar veel ouder. Zo oud als een berg. En onverzettelijk. Hij keek me vriendelijk aan en sprak: 'Ik ben de wachter.' Zijn stem klonk als muziek. 'Kom,' zei hij, en gebaarde mij hem te volgen. Hij draaide zich om en liep voor mij uit. Ik er achteraan. Na een tijdje gelopen te hebben, stond hij plotseling stil en wenkte met zijn vrije hand dat ik naast hem moest komen en hij zei: 'Loop voorzichtig daarheen,' hij wees met zijn lantaarn in een richting. Ik knikte, want ik had gemerkt dat het een man was van weinig woorden. Toch waagde ik het er op en vroeg hem, 'Wat doet u als wachter?' De oude man keek me vriendelijk aan, ik kon door zijn hoofd zien en zag een grote berg die je in een miljoen jaar niet kon verzetten. Maar ik vergiste me, hij gaf antwoord. 'Ik zorg dat de slaper blijft slapen. Ga nu, het is al bijna dag.' En hij wees opnieuw met zijn lantaarn. Ik liep in de richting die hij me gewezen had en keek even achterom, maar de oude man was verdwenen. Voorzichtig liep ik door. Ineens dacht ik, als die oude baas er voor zorgt dat de slaper blijft slapen, wie zorgt er dan voor dat de slaper wakker wordt. Ik liep de ruimte in. De slaap was al enorm, maar deze ruimte van de droom, was kijken in de ruimte. Er was geen boven of onder. Hier draaiden de beelden als hologrammen, van boven naar beneden en van beneden naar boven, onafhankelijk van elkaar en toch een geheel. Kleuren ontsproten uit de beelden zelf, een doorlopend geheel tot het meest bizarre.

Ik liep in het driedimensionale en waande mij in een onwerkelijke wereld en toch speelde het voor mijn ogen af. Het was een werkelijkheid op zich. De hologrammen regen zich aaneen in ongekende composities, die in het hoofd van de dromer ontrolde. Er was zoveel te zien dat ik me kon voorstellen als alles op de slaper los gelaten zou worden, de dromer voor goed zijn hoofd onder water zou houden. Wat zei de wachter ook al weer, 'ik zorg dat de slaper blijft slapen.' Dat was maar goed ook, dit zou geen mens verdragen. Wat ik hier zag, het was een hel in de hersens van de mens. De boterbloem liep verkleed als roos. Uitgelopen aardappels die zichzelf schilden en weer aangroeiden. Loslopende handen, wat de een neer zette, pakte de ander weer weg. Uitgegroeide armen vielen uiteen tot een grote waaier en een hoofd viel en bleef maar vallen in de ruimte waar geen eind aan scheen te komen. De ruimte schiep zichzelf, zette uit en kromp weer ineen. Een streep groeide uit tot een gigantisch draagvlak, waarop plotseling een bloem verscheen, om daarna te vervallen in het omgekeerde. Het vlak verdween en trok zichzelf in een lus, waarin het gevallen hoofd
verscheen, dat uitbundig lachte. Een ongekende vrolijkheid die een mens elk bestaansrecht zou ontnemen. Elke keer een begin van een ontkennend einde. Het wrange bestaan lag in de droom besloten. Het geloof in het groene licht van de
volgende dag. De wenkende hand van de droom en de dag. De wachter van de droom, de onverzettelijke berg, zwaait nu aan de ander kant. In het zachte groene licht zag ik mensen naar hun werk gaan. De een opgewekt de ander traag. Langzamer liep de derde. Van de ene berg naar de andere, van het ene licht naar het andere.

Ontwaakt uit een droom en sommigen gestorven in hun slaap. De dagwachter zwaaide het groene licht. Het sein van een veilige staat. De droom van de mens, zijn slaap, zijn werk, in kaart gebracht. In deze wereld zijn geen hologrammen. Het is de wereld waarin hij droomt gelukkig te zijn, zonder het zweet te zien, ontstaan door angst. Zijn medemens die hem volgt, geboden door de wenkende hand. Het leven ligt voor hem open. Onwillekeurig vertraagt hij zijn gang. In zijn hersens wordt de dag opgesloten. De wachter zwaait nog steeds met het groene licht. De dag zakt dieper in het lichaam, om straks te ontladen in een droom, wat hij droomde overdag. Tussen de bergen staat hij even stil en vraagt zich af, welke dag heb ik gezien, die in het verleden lag, gelijk aan deze dag, of was zij werkelijk anders? Wat droomde ik vannacht, dat de dag komt zal waar het hoofd in de lus lacht? Zo uitbundig dat ik zou kunnen begrijpen dat het groene licht het gevaar is. In het groene licht pulseert een slaafs braaf gedrag. Wat droomde de mens overdag? Zijn wachters te kunnen ontlopen. Waarom is hij zo braaf, zo verschrikkelijk goed, het komt hem van pas. Dozen vol artikelen, reclame. Ontroerd vertelde hij wat hij zag, als het aan hem lag, de wereld in een pakket. Wat hij niet zag was de ander, die zijn stap vertraagde en zich afvroeg, hoe lang is de weg van het nodeloze bestaan. Wat wil de ene mens van de ander, nieuwe regels en wetten, zijn bedrijf centraal. Werelds grootste schenker. De goedheid zelf, het vlees geworden symbool, niemand vroeg meer wat en het hoofd zal verschijnen in de droom zijn lach zal jaren blijven klinken. De mens die gelukkig wilde zijn vertraagde wederom zijn pas en keek in zijn handen en plukte de bloem die uitgroeide tot een vuist en verbrijzelde het hoofd in de lus. Langzaam werd het dag.
© Rudy Musters
Gemaakt door Xw3b.nl gehost bij Zenid.net.